door Erwin Jans

deReactor.org
platform voor literaire kritiek

geplaatst op 29-10-2017

Een apocriefe anekdote: Albert Einstein stapt na het zien van een stuk van Luigi Pirandello (1867-1936) af op de auteur en noemt hem een verwante ziel. Hoewel ze wellicht geen grond heeft in de werkelijkheid, zegt de anekdote veel over de verwarrende impact van Pirandello’s denken. Net zoals Einstein de zekerheden van het newtoniaanse wereldbeeld in twijfel trok, deed Pirandello dat met de traditionele ideeën over identiteit. Hij reageert zoals veel kunstenaars van zijn generatie op de aardverschuiving die de wetenschappelijke ontdekkingen, de nieuwe psychologische inzichten, de technische vooruitgang, de destructie van de Eerste Wereldoorlog, de politieke onrust in Europa en de explosie van het artistieke experiment veroorzaken in het denken over het ‘ik’ en de ‘wereld’.

Het begrip ‘pirandellesk’ mag dan niet dezelfde steile carrière hebben gemaakt als het begrip ‘kafkaësk’, het is een even pregnante benaming van de diepe crisis van de moderne persoonlijkheid. Wijlen Mattia Pascal (1904), de roman waarmee Pirandello in Europa bekend werd, gaat over een man die zijn vrouw verlaat na de dood van zijn kind en zijn moeder. Op een dag leest hij in de krant dat er een lijk is gevonden dat voor zijn eigen stoffelijk overschot wordt gehouden. Hij besluit dat niet recht te zetten en een andere naam – Adriano Meis – aan te nemen in de hoop zo de echte vrijheid te vinden. Maar Adriano Meis bestaat officieel niet, terwijl Mattia Pascal officieel dood is. Onze ‘held’ ontdekt al snel dat zijn leven samenhangt met leugens en bedrog. Hij leidt een schijnleven. Hij is als een acteur die in de huid van een personage is gekropen en zichzelf voortdurend bekijkt als een toeschouwer in plaats van zijn leven te leven.

Lees het volledige artikel op DE REACTOR

Boek(en)