door drs. Michèl de Jong

Het leek erop dat alles over de roemruchte rechtszaak van Willem Oltmans contra de Staat der Nederlanden wel zo’n beetje bekend was; er is in de acht jaar dat het proces duurde (1992-2000) veel over geschreven en gezegd in de media, Oltmans zelf deed in de acht jaar dat het proces duurde tussentijds verslag in niet minder dan elf boeken en pamfletten, en zijn advocate Ellen Pasman – die ook het voorwoord bij deze 64ste aflevering schreef – publiceerde een uitgebreide terugblik in ‘Oud Zeer’ (Bert Bakker, Amsterdam 2002). Toch bevatten Oltmans’ bewerkte dagboekaantekeningen uit deze jaren soms nog ontluisterende nieuwe informatie. Uit dit deel (over de maanden juli-december 1996) blijkt bijvoorbeeld hoe er regelmatig onenigheid was tussen de lichtgeraakte Oltmans en zijn drie advocaten (mrs. J. Vermeer, Peter Nicolaï en Ellen Pasman), maar ook tussen de advocaten onderling, waarbij met name de samenwerking tussen Pasman en Nicolaï lang niet altijd soepel verliep.

Hoewel in de eerdergenoemde publicaties al wel is beschreven hoe de relatie met de journalistenvakbond NVJ – vooral vanwege een incompatibilité des humeurs tussen Oltmans en secretaris Hans Verploeg – in 1996 ronduit onwerkbaar was geworden, zwegen zowel Oltmans als Pasman vooralsnog over de moeizame totstandkoming van de getuigenis van de Zuid-Afrikaanse oud-inlichtingenman Christo Landman. Die verklaring was van groot belang, want Landman verklaarde met veel saillante details over hoe Oltmans vanuit Nederland was zwartgemaakt toen hij zich in Zuid-Afrika wilde vestigen. In 2012 bevestigde hij dat nog eens in een uitzending van het radioprogramma Argos over Oltmans’ uitzetting uit Zuid-Afrika.

Pasman doet het in haar boek voorkomen alsof diens medewerking een 1-2’tje was, en ook Oltmans beschrijft in de dagboekencompilatie ‘De Staat van Bedrog’ (Papieren Tijger, Breda 1997) dat Landmans enige eis was dat zijn getuigenis achter gesloten deuren zou plaatsvinden omwille van diplomatieke gevoeligheden. Volgens Oltmans’ dagboekaantekeningen was Landman echter maar uiterst moeizaam naar Nederland te krijgen, en stelde hij voortdurend aanvullende eisen, zowel van praktische als financiële aard. Zo wilde hij voor de overdracht van bepaalde geheime documenten fors betaald worden. De vraag hoe hier mee om te gaan leidde tot nieuwe fricties tussen Oltmans en zijn raadslieden, die geen van de partijen aan de grote klok wilde hangen.

Buiten de rechtszaal en advocatenkamers om beschrijft Oltmans het staatsbezoek van Beatrix, Claus en een stuntelige prins Willem-Alexander aan Zuid-Afrika, vleselijke avonturen in hotelkamers en herensauna’s, en zijn voortdurende gezwoeg op zijn Memoires. Afgaande op de voetnoten is dit deel overigens het laatste dat Oltmans nog zelf kon redigeren vóór zijn dood in 2004. Nog 12 delen te gaan.

Boek(en)