door drs. Michèl de Jong

Aan Willem Oltmans (1925-2004) zijn inmiddels twee documentaires (i.c. een aflevering van ‘Hoge Bomen’ en ‘Profiel’) en ten minste drie boeken (‘Oud Zeer’ van zijn voormalige advocate Ellen Pasman, ‘De man van acht miljoen’ van psycholoog Edwin Oden en ‘Ze zijn gék geworden in Den Haag’ van historicus Wouter Meijer) gewijd, maar wie de markante journalist écht wil leren kennen doet er goed aan zijn omvangrijke reeks Memoires te lezen. In dit 59ste(!) deel staat de eerste helft van 1994 centraal. Dit was een opmerkelijke periode in zijn leven, want tot zijn eigen verbazing mocht hij in korte tijd tot tweemaal toe officieel mee met een regeringsdelegatie naar Zuid-Afrika en Indonesië. Later zou blijken dat Oltmans’ deelname een initiatief was Ruud Lubbers, die in de nadagen van zijn premierschap streefde naar ‘normalisering’ van de verhouding tussen Oltmans en de Staat der Nederlanden, die al meer dan veertig jaar met elkaar overhoop lagen. Hoewel voor Oltmans vooral de reis naar Indonesië een ‘sentimental journey’ was, waar hij een hoop vrienden uit de Soekarnotijd na lange tijd weer terugzag, maakte hij van de gelegenheid gebruik om nieuwe munitie te verzamelen voor zijn proces tegen de Staat. Het feit dat hij in 1994 zonder problemen mee kon naar Zuid-Afrika waar hij twee jaar eerder nog als ongewenste vreemdeling was uitgewezen was voor hem het ultieme bewijs dat die uitzetting het gevolg was van onrechtmatig handelen door Buitenlandse Zaken en/of de Inlichtingendiensten. In Jakarta deed zich bovendien rel voor tijdens een officiële receptie, waar hij bijna werd verwijderd op last van de ambassadeur, tot Ria Lubbers tussenbeide kwam en de zaak suste. Dit incident zou later nog een juridisch staartje krijgen, met getuigenissen van de ambassadeur, de premiersvrouw en andere ooggetuigen. Tegelijkertijd tonen Oltmans’ dagboekaantekeningen aan dat hij in zeker opzicht zijn eigen ergste vijand was: terwijl het bij steeds meer mensen begon te dagen dat hij vanaf 1957 inderdaad op onheuse wijze door de Staat was tegengewerkt, joeg hij bijna al zijn medestanders tegen zich in het harnas door het kwistig rondsturen van typisch Oltmansiaanse epistels vol klachten, verwijten en scheldkannonades. De journalistenvakbond NVJ ergerde zich zelfs zo aan zijn eigengereide handelswijze – waardoor al verschillende bemiddelingspogingen waren getorpedeerd – dat ze haar handen van Oltmans aftrok. Naast ‘de arrogantie van de macht’ en het onvermogen van de Staat haar eigen fouten toe te geven is Oltmans’ eigen opstelling ongetwijfeld een van de oorzaken geweest dat zijn rechtszaak pas in 2000 middels een bindende arbitrage werd afgesloten.

Boek(en)