22 augustus 2012 Open brief aan de fractievoorzitters van de politieke partijen in de Tweede Kamer Geachte heer/mevrouw, De dekkingsgraden van de pensioenfondsen zijn nog steeds in de problemen. Met als gevolg dat de pensioenpremies weer omhoog zullen gaan. Wij hebben daar als belastingbetalers bezwaren tegen, zowel in principe als in de praktijk. We willen ze u niet onthouden omdat we het vreemd vinden dat er al lang hevig gedoe is over de hypotheekrenteaftrek terwijl een soortgelijk probleem met het pensioen niet op de agenda staat. De kern van ons bezwaar zit hierin: er is ten nadele van Nederland onvoldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de pensioenstelsels in de landen van de Europese Unie. De premies voor de kapitaalgedekte pensioenen zijn van belastingheffing vrijgesteld. Door de verschillen in de verhouding tussen kapitaaldekking en omslag in verschillende landen hebben zowel bezuinigingen als investeringen andere uitwerkingen. Het lijkt ons dan principieel niet juist om de Europese staten met ieder verschillende proporties kapitaaldekking aan een uniforme begrotingsdiscipline te onderwerpen zonder met de verschillende proporties kapitaaldekking rekening te houden. Immers, het betalen van pensioenpremies heeft door de belastingvrijstelling direct gevolgen voor de hoogte van de belastingopbrengsten en daardoor op de mogelijkheden aan de Europese begrotingsnormen te voldoen. Hogere Nederlandse pensioenpremies voor een door Europa gewenste zekerder toekomst noodzaken Nederland tot door Europa geëiste verdere bezuinigingen omdat Nederland aan dezelfde normen moet voldoen als staten die hun toekomst onzekerder maken door maar door te blijven lenen. De diversiteit aan pensioenstelsels is één aspect van de grote knoop aan regels en bepalingen die de Europese eenwording financieel gesproken geworden is. Die knoop valt niet te ontknopen door aan wat losse draadjes te trekken. Want noch met de Europese afspraken over de hoogte van de nationale schulden, noch met betrekking tot de europroblematiek, is rekening gehouden met een ‘vergelijkbaarheid van de schulden’. In een tijd vergrijzing worden nationale schulden sterk medebepaald door de vormgeving van pensioenstelsels. Of een schuld binnen een fiscaal en financieel systeem acceptabel is hangt af van de toekomstige mogelijkheid die schuld af te betalen. De hoogte van de schuld ten opzichte van het BBP is veel minder van belang. Honderd euro schuld is veel voor de bijstandsgerechtigde terwijl duizend euro geen probleem zou moeten zijn voor een miljonair. Wanneer met een aantal factoren die bepalen of de schulden in de toekomst kunnen worden afbetaald rekening wordt gehouden, kan er een uitkomst ontstaan zoals de verhelderende Fiscal Risk Index van Maplecroft vorig jaar aangaf: Italië staat op plaats 1 van de landen met Extreme Fiscal Risk, voorbeeldland Zweden op plaats 4 en het zo solide geachte Duitsland op plaats 5. Het ziet er voor Nederland nog veel beter uit omdat Maplecroft geen rekening houdt met de nationale pensioenvermogens. Volgens de Europese Centrale Bank (ECB) hadden de pensioenfondsen in de eurozone eind maart een belegd vermogen van €1.547 miljard. Meer dan de helft van dit bedrag is Nederlands. De leeuw heeft nog tanden, maar het haar erop ontbreekt. Het streven naar meer Europese eenheid met één munt, het financiële dragen van elkaars bancaire lasten en een uniforme begrotingsdiscipline is onhaalbaar zonder eenheid in pensioenbeleid en berekening. De vergrijzing, wat meer is dan de pensioenproblematiek, vergt diensten en producten, vraagt om opleidingen en inzichten en eist investeren in plaats van sparen of spenderen. Met het boven omschreven mechanisme komt het er niet van. Doorgaan met de financiële sector te redden, ten koste van het bedrijfsleven dat van banken amper een lening kan krijgen, is geen oplossing. Banken hebben rijke klanten nodig, zoals staten behoefte hebben aan welvarende belastingbetalers. We stellen dan ook voor dat Nederland streeft naar de totstandkoming van begrotingen in Europa die onderling vergelijkend rekening houden met de toekomstige kosten en eventuele opbrengsten van de vergrijzing. Te denken valt aan een soort begrotingen die uitgaan van relativiteit en samenhang zoals het geval is met de dekkingsgraden van de pensioenfondsen. Het belegd pensioenvermogen dat aanzienlijk groter is dan de Nederlandse staatsschuld, terwijl dat voor andere eurolanden niet geldt, leidt tot het inzicht dat bezuinigen momenteel voor Nederland niet het meest verstandige is. Daar is nog een argument voor, een praktisch bezwaar. Een aanzienlijk deel van de beleggingen voor het pensioen vindt buiten Europa plaats. Met als gevolg dat het investeren van de van belastingheffing vrijgestelde steeds hogere pensioenpremies in de praktijk meer problemen oplevert dan nodig is. Volgens het CBS is tussen 2001 en 2009 de werkgeversbijdrage in de pensioenpremies met 80 procent gestegen. (IPN 18 juli 2012) Deze hogere werkgeversbijdrage wordt ten dele geïnvesteerd in de concurrenten van diegenen die deze premies betalen. Doorgaan met klagen over de hoogte van Nederlandse loonkosten is dan contraproductief en ergerniswekkend. Want de loonkosten moeten verder omhoog met het oog op de kosten van zorg en pensioen maar ook voor de belastingen, en tegelijkertijd omlaag om de concurrentieslag met de investeringen van de eigen van belastingheffing vrijgestelde pensioenpremies gaande te houden. De pensioenpremies binnen de eurozone investeren is de logische weg voor Nederland. Wellicht dat het investeren van de van belastingheffing vrijgestelde pensioenpremies buiten de eurozone een iets hoger rendement voor de pensioenfondsen genereert. Maar dat gaat dan wel ten koste van de betaalbaarheid van het basispensioen, de AOW. De AOW is als component ingebouwd in de totale pensioenvoorziening en de betaalbaarheid ervan is afhankelijk van economische groei, belasting en premiebetalingen. Met andere woorden, de in het totale pensioen ingebouwde AOW is afhankelijk van de economische staat van Nederland. De facto moet het Nederlandse bedrijfsleven momenteel de concurrentieslag aangaan met de investeringen die pensioenfondsen doen met de door het bedrijfsleven zelf verplicht afgedragen pensioenpremies. Dan lijkt economisch herstel wel heel ver weg. Bij ons komt de gedachte op dat door te beleggen in, laten we het land Brunda noemen, dan ook de Brundese bedrijven waarin belegd is, maar onze AOW, onze zorg en onze Nederlandse belastingen moeten betalen. Het investeren van de van belastingheffing vrijgestelde pensioenpremies buiten de eurozone dient te stoppen. Uiteraard langzaam, maar heel zeker. We stellen dan ook voor dat Nederland streeft naar de totstandkoming van een Europese richtlijn die aangeeft dat met ernstige nationale deficiten in de monetaire zone geen van belastingheffing vrijgestelde pensioeninvesteringen buiten die zone worden gedaan. Het lijkt ons de logische consequentie van het van belastingheffing vrijstellen van pensioenpremies voor het aanvullende pensioen. Wat ook verder uitgewerkt kan worden, zo kunnen we ons voorstellen, is dat er een verrekening met de vrijstelling van belastingheffing van pensioeninvesteringen in Afrika met ontwikkelingsgelden plaatsvindt. Ook lijkt het ons redelijk te streven naar gehele of gedeeltelijke verrekening van investeringen met van belastingheffing vrijgestelde pensioenpremies met de contributie voor Europa. Tot slot verwijzen wij u nog naar een nieuwsbericht van De Nederlandsche Bank (DNB) van 3 augustus 2009 over het effect van de herstelplannen van de pensioenfondsen op de groei van Nederlandse economie: ‘In elk van de varianten krijgt de Nederlandse economie te maken met afnemende bestedingen, een lager beschikbaar inkomen en een dalende werkgelegenheid.’ Duidelijker aangeven dat onder de huidige condities een zekerder pensioentoekomst ten koste gaat van de zekerheid van het pensioen in de toekomst kunnen wij niet. Wij hopen u met deze brief van dienst te zijn geweest. Met de meeste hoogachting, Sander Boelens, vergrijzingexpert, auteur Anja Fricke, communicatiedeskundige, auteur Paul Palthe, ondernemer


Boek(en)