14 augustus 1912 – 15 januari 2009

Sonja Prins woonde tot enkele maanden voor haar overlijden als kluizenaar in de bossen van Baarle-Nassau, waar ze in de jaren zeventig vanuit Amsterdam de eenzaamheid opzocht om zich aan de literatuur te kunnen wijden.

Prins heeft talloze dichtbundels en één roman, De Groene Jas, geschreven. Ze debuteerde op jonge leeftijd met de bundel Proeve in Strategie, die door dichters als Marsman en Van Vriesland jubelend werd ontvangen. Als 17-jarige lanceerde Prins het avant-gardistische en internationale tijdschrift Front.

Sonja Prins werd in de crisisjaren lid van de Communistische Partij Nederland (CPN). In de oorlog – ze had toen drie kleine kinderen en leefde gescheiden van haar echtgenoot – maakte en verspreidde ze de illegale krant Vonk in Bilthoven en omstreken. Ze werd opgepakt, opgesloten in de gevangenis in Scheveningen en vervolgens op transport gesteld naar het beruchte vrouwenkamp Ravensbrück, waar ze tot het einde van de oorlog gevangen bleef.

In het concentratiekamp vond ze aansluiting bij een groep Nederlandse politieke gevangenen, die met Kerst 1943 een eigen versie opvoerden van het toneelstuk Midzomernachtdroom van Shakespeare. De tekst was geschreven door Prins, die het stuk als kind in Londen had gezien.

Na de Russische inval in 1956 brak Sonja Prins met de CPN en het tijdschrift Politiek en Cultuur, waarvoor ze toen werkte.

Prins bracht haar jeugd door in diverse landen. Haar vader was journalist en schrijver Api Prins, ook wel de laatste bohemien van Nederland genoemd. Hij schreef zijn memoires onder de titel Ik ga m’n eige baan. Haar moeder was Ina Prins-Willekes MacDonald, medeoprichter van de Montessorischool in Nederland.

Papieren Tijger zal haar Volledige werk in vijf delen publiceren.

 

 

 

Boek(en)