1925-2004

Op 30 september 2004 is Willem Oltmans overleden.
Na een slopende ziekte is er een eind gekomen aan het bruisende en zeer betrokken bestaan van journalist en publicist Willem Oltmans.

Willem was de wervelstorm op ons kantoor. Wij missen zijn vinnige pen, zijn heldere kijk op de wereld, zijn humor, en misschien wel het meest zijn scherpe tong.

Willem Oltmans werd op 10 juni 1925 te Huizen geboren. Hij groeide op in Bosch en Duin, in een gefortuneerd gezin met een Nederlands-Indische achtergrond. Hij was de middelste van drie broers. Zijn moeder studeerde oude talen; zijn vader chemie en rechten. Zijn vader was advocaat te Amsterdam.
Oltmans liep achtereenvolgens het Baarns Lyceum en het Nederlands Opleidings Instituut voor het Buitenland op kasteel Nijenrode af.
Van 1948 tot 1950 studeerde hij Political Science aan de Yale-universiteit te New Haven, Connecticut.
In zijn Baarnse Lyceumtijd kreeg hij bijles in Duits van mevrouw Büringh-Boekhoudt. Er ontstond een langdurige en innige relatie met deze dame die Oltmans als zijn tweede moeder beschouwde. Mevrouw Büringh-Boekhoudt werd enige tijd later tevens rectrice en vertrouwenspersoon van prinses Beatrix.

Sinds zijn negende jaar hield Willem Oltmans nauwgezet een dagboek bij. Dit is hij zijn hele leven blijven doen. Hij noteerde dagelijks precies wat en wie hij had ontmoet en wat zijn gedachten, opvattingen en emoties waren: van de omgang met zijn ouders en familie tot zijn vele vrienden en relaties die hij leerde kennen, van de dagelijkse vorming van zijn geest tot de vele journalistieke en politieke verwikkelingen waarin hij terecht kwam. Ook maakte hij uitgebreid aantekeningen van wat hij op elk moment aan het lezen was. Zijn dagboek is aangevuld met knipsels en documenten, zodat er een reusachtige documentatie van de hedendaagse geschiedenis ontstond. Zijn motief tot deze grondige registratie van zijn bestaan was uiteindelijk een werk te verwezenlijken waarin zichtbaar zou worden hoe een mens wordt tot wat hij is.

De originele dagboeken staan opgeslagen in de Koninklijke Bibliotheek en beslaan ruim 90 meter muur. Van deze dagboeken zijn door Oltmans bewerkingen gemaakt: de Memoires. Deze zullen uiteindelijk uit 76 delen bestaan. Tot nu toe, 2004, zijn er 16 delen verschenen. Ze betreffen de periode 1925-1974.
Deze Memoires zijn te beschouwen als een alternatieve geschiedschrijving van de tweede helft van de 20ste eeuw. Alternatief doordat, in tegenstelling tot officiële geschiedschrijvers, Oltmans met ooggetuigenverslagen kon rapporteren over de gebeurtenissen achter de schermen van de internationale politiek, diplomatie en journalistiek.
Onvermijdelijk komen in deze boeken talloze botsingen met de gevestigde orde aan bod, veroorzaakt door de vele machinaties van inlichtingdiensten en gezagdragers.

Zijn eerste journalistieke activiteit ontplooide hij op de redactie buitenland van het Algemeen Handelsblad te Amsterdam, waar hij door Henk Hofland, zijn vriend van Nijenrode, was geïntroduceerd. Hij werkte daar onder leiding van dr. A.L. Constandse.
Na enige tijd te hebben gewerkt voor het persbureau United Press International vestigde hij zich in 1955 in Rome, ondermeer als vast medewerker van het dagblad De Telegraaf.
Hier ontmoette hij op 10 juni 1956 president Soekarno van Indonesië. Conservatief Nederland haatte dit eerste staatshoofd van Nederlands voormalige kolonie; De Telegraaf verbood Oltmans dan ook Soekarno te interviewen. Hij deed het natuurlijk toch; beiden konden het zelfs uitstekend met elkaar vinden. Het betekende het einde van zijn korte carrière bij deze krant, en het begin van zijn problemen met de Nederlandse Staat. Hetzelfde jaar reisde hij op uitnodiging van Soekarno, als medewerker van de Nieuwe Rotterdamse Courant, het Algemeen Handelsblad, het Vaderland en Vrij Nederland naar Jakarta.

Oltmans’ eigenschap om geen rekening te houden met de politieke richting van het blad waarvoor hij schreef, maar feiten en achtergronden zo objectief mogelijk te rapporteren, heeft hem zeer invloedrijke vijanden bezorgd, maar ook vele vrienden bij lezers, luisteraars en kijkers over de hele wereld.
Oltmans werd door Buitenlandse Zaken en de rechtse pers als een verlengstuk van Soekarno gezien. Daarmee haalde hij zich de levenslange vijandschap van minister Luns op de hals. Die zorgde er persoonlijk voor dat het alle Nederlandse ambassades werd verboden Oltmans medewerking te verlenen in zijn journalistieke werk. Deze richtlijn werd tot het jaar 2000, het jaar waarin Oltmans zijn proces tegen de Staat der Nederlanden overwinnend afsloot, door Buitenlandse Zaken nageleefd. Ook de media kregen vanuit Den Haag opgedragen geen stukken van Oltmans te plaatsen. Veel medewerkers van Nederlandse media hielden daar rekening mee.
Deze affaire was bepalend voor de rest van het journalistieke leven van Willem Oltmans.
Telkens ontwikkelde Oltmans contacten met de groten der aarde – Soekarno, Indira Gandhi, De Klerk, Arbatov, om er maar een paar te noemen – en telkens trad de Nederlandse diplomatie saboterend op.

Als gevolg van zijn bemoeienissen met de kwestie Nieuw-Guinea werd Willem Oltmans uit Nederland weggepest. In 1958 emigreerde hij naar de Verenigde Staten. In die jaren werkte hij voornamelijk voor het weekblad Vrij Nederland.
Hij heeft er tevens geschreven voor Elseviers Weekblad, de Nieuwe Linie, de Groene Amsterdammer, dagblad Zaanstreek, de Typhoon, krantencombinaties als de Grote Provinciale Dagblad Pers en andere binnen- en buitenlandse dagbladen en tijdschriften.
Het is de tijd van John F. Kennedy; van Soekarno versus Jozef Luns; van tumult in Cuba; van een dreigende Koude Oorlog en een Amerikaanse heksenjacht op alles wat naar communisme ruikt. Van dit alles doet Oltmans verslag vanuit de eerste hand. Hij sprak direct betrokkenen en was geregeld lijfelijk aanwezig op plaatsen waar historie werd geschreven.
Zijn reizen naar Cuba, Congo, het Midden Oosten, Vietnam, de Sovjet-Unie, Zuid-Afrika, Suriname en vele andere “troublespots” in de wereld resulteerden in vele geruchtmakende artikelen en interviews die vaak belangrijke gevolgen hadden.

In zijn jaren in de Verenigde Staten was Willem Oltmans verbonden aan verschillende lezingbureau’s. Hij heeft in het hele land vele honderden drukbezochte lezingen gegeven over internationale politiek voor een uiteenlopend publiek. Zeker in het begin van de jaren zestig toen de onrust in de Amerikaanse samenleving over de Vietnam-oorlog net ontstond was hij zeer invloedrijk in de meningvorming van studenten op de Amerikaanse universiteiten.
Zijn anti-oorlogstandpunt maakte veel los; hij vond daarbij opnieuw de Nederlandse overheid tegenover zich, onder meer in de persoon van ambassadeur J.H. van Roijen.

Deel uitmakende van de zogenaamde groep-Rijkens, een gezelschap Nederlandse zakenlieden en industriëlen verenigd rond oud-Unilever-directeur Paul Rijkens, die een overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië wenste te bevorderen, bouwde Oltmans vele contacten op, zowel in Nederland, Indonesië als de Verenigde Staten, de drie onmiddellijk bij de Nieuw-Guinea-affaire betrokken partijen.
Oltmans opereerde dan al sinds 1957 in het VN-hoofdkwartier in New York en onderhield, naast de groep-Rijkens, nauwe betrekkingen met de Indonesische ambassadeur Zairin Zain en Sukardjo Wirjopranoto.

In april 1961 informeerde hij Walt Rostov, adviseur van president Kennedy, over het bestaan van andere visies betreffende de dekolonisatie van Nieuw-Guinea. Hij raadde hem aan prins Bernhard uit te nodigen. Wat geschiedde. Bernhard bezocht in het geheim Kennedy en de Amerikanen raakten overtuigd van het feit dat de Luns-koers desastreus was. De overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië zou spoedig geregeld worden.
In juni 1961 besloot Oltmans de geheime lobby in Vrij Nederland in de publiciteit te brengen omdat hij de gevoerde lobby niet langer zinvol vond, wat een enorme commotie teweegbracht. De CIA-agent Werner Verrips zou zich vervolgens in zijn contactennetwerk binnendringen en zich steeds meer ontpoppen als Oltmans “baby-sitter”. Een kluwen aan intriges, manipulaties en wraak ontstond op de achtergrond van het overdrachtsproces van Nieuw-Guinea tussen Indonesiërs, voor- en tegenstanders van het dekolonisatieproces en zou uiteindelijk leiden tot de geheimzinnige moord op Verrips.
In 1968 publiceerde Oltmans zijn herinneringen over het Nieuw-Guinea-vraagstuk in zijn eerste boek De verraders, waar hij inzicht bood in het debacle van de buitenlandse politiek van minister Luns en het mislukken van de geheime diplomatie van Nederlandse industriëlen.

Na de moord op president Kennedy – in november 1963 – ontmoette Oltmans de moeder van de presidentsmoordenaar Lee Harvey Oswald: Marguerite Oswald. De weergave van de gesprekken en belevenissen met haar zijn uniek.
Ook ging hij in die tijd mee als tolk voor de paragnost Gerard Croiset op diens tournee door de Verenigde Staten. De avonturen van Oltmans met hem en de vriendschappelijke relatie met Croiset die daaruit voortkwam zouden in Oltmans’ onderzoek naar de moordenaars van president Kennedy van invloed zijn. Door Croiset kwam Oltmans in contact met Carel Enkelaar van de NTS/NOS. Via Croiset kwam hij ook in contact met de mysterieuze graaf George de Mohrenschildt, de babysitter van Lee Harvey Oswald. Op zoek naar de waarheid achter de moord zou Oltmans tot en met 1977 met hem contact hebben. In dat jaar zou De Mohrenschildt eindelijk alles gaan vertellen, in gezelschap van Oltmans en Kouznetsov, medewerker van de Russische ambassade, over de achtergrond van deze politieke moord. Op de plaats van hun afspraak verdween De Mohrenschildt echter plotseling. Hij zou enkele weken later dood worden gevonden in Florida. Oltmans schreef over deze affaire in 1977 het boek Reportage over de Kennedy-moordenaars.

In 1967 ontmoette Willem Oltmans zijn vriend voor het leven Peter van de Wouw. Ze zouden 37 jaar een platonische relatie hebben.

Sinds 1968 heeft hij een aantal jaren de NTS/NOS-televisie in de Verenigde Staten vertegenwoordigd en enkele opvallende reportages gefilmd, waaronder het interview met Jim Garrisson, de Officier van Justitie in New Orleans, die eveneens de moord op president John F. Kennedy trachtte te ontrafelen. Ook interviewde hij voor televisie als eerste Nederlander coupgeneraal Soeharto. En natuurlijk was ook het interview met Black Panther-leider Eldridge Cleaver spraakmakend.

In 1970 maakte hij voor de NOS een film met de adviseurs van Kennedy over de leugens van Luns in verband met de Amerikaanse steun bij een oorlog over Nieuw-Guinea. Hij ontmoette Dewi Soekarno. Een turbulente vriendschap begon, vol hectische verwikkelingen. Samen met Dewi schreef hij een open brief aan Suharto voor Vrij Nederland.
Hij reisde met Dewi en haar dochtertje naar Zuidoost Azië om Soekarno te bezoeken die dan op sterven lag. In Bangkok moest Oltmans het vliegtuig verlaten: hij mocht Indonesië niet meer binnen.

Oltmans stelde de eerste televisiedocumentaire samen over het rapport Grenzen aan de groei en de Club van Rome. Hij associeerde zich met deze organisatie en bouwde goede relaties op met de oprichter van de Club van Rome, Aurelio Peccei. Deze introduceerde hem bij Jermen Gvishiani, al snel ontwikkelde zich uit dit contact een omvangrijk relatienetwerk in de Sovjet-Unie. In de loop der tijd probeerde Oltmans dit in te zetten ten bate van o.a. het Nederlands bedrijfsleven; ook bracht hij in 1985 het computerbedrijf Apple in contact met het Kremlin.
Opnieuw werden zijn werkzaamheden vooral op dit gebied door Buitenlandse Zaken en de inlichtingendiensten gesaboteerd. De inlichtingendiensten en De Telegraaf in samenwerking met Oltmans’ “vriend” Henk Hofland organiseerden een valstrik. Dit verraad van Hofland leidde tot grote opwinding. In 1973 fotografeerde de – door Hofland in Oltmans’ huis in Amsterdam binnengesmokkelde – Telegraaf-fotograaf Peter Zonneveld met een verborgen camera Sovjetdiplomaten tijdens een feestje. De Telegraaf werd hiervoor veroordeeld op grond van de Wet op de Privé-sfeer. Dit betekende de definitieve breuk met Hofland en tevens diens val als redacteur van NRC-Handelsblad.
In de jaren zeventig schreef Oltmans aantal belangrijke boeken. Naar aanleiding van nieuwe problemen met en nieuwe leugens van Luns en natuurlijk de Zonneveld-affaire schreef hij in 1973 Den Vaderland Getrouwe waarin hij alles uit de doeken deed betreffende Luns, Soekarno, De Telegraaf en de in het geniep genomen foto’s in Oltmans’ woning.

Maar eigenlijk was Oltmans in die jaren vooral bezig met het interviewen over de gehele wereld van hoogwaardigheidsbekleders en wetenschappers over de Club van Rome en de door deze organisatie aangesneden problematiek. Dit zou leidden tot twee omvangrijke boeken die in vele talen werden uitgebracht: Grenzen aan de groei. Het eerste deel verscheen in 1973 en bevatte 75 interviews; het tweede deel verscheen in 1974 met 50 vraaggesprekken.
Zijn bezoeken aan de Sovjet-Unie zouden leiden tot het in 1976 gepubliceerde boek USSR: 1976-1990 en in 1981 tot het boek Het Sovjet-standpunt. Dit laatste werd eveneens in de Verenigde Staten en in Duitsland uitgebracht. Hij maakte het samen met Georgii Arbatov, de Amerika-deskundige van het Kremlin. Andere spelers op het wereldtoneel beschreef hij in publicaties als Europa, over de toekomst van de oude wereld (1977) en Amerika valt (1979).

De nasleep van de Lockheed-affaire verlevendigde zijn betrokkenheid bij het koningshuis. Was hij aan de ene kant geen voorstander van de monarchie, aan de andere kant kruiste de koninklijke familie regelmatig zijn levenspad. Zo ook eind jaren ’70 en begin jaren ’80.
Zijn beroemd geworden persconferentie over de vermeende homoseksualiteit van prins Claus hield de gemoederen lang bezig. Zo schreef hij ondermeer in 1981 Made in Soestdijk en een analyse van de persoonlijkheid van de prins-gemaal in Prins Claus (1984).
Toen Oltmans’ proces tegen de Staat eenmaal op volle toeren draaide verscheen er een hoeveelheid publicaties, die mede tot doel hadden het staatshoofd onder druk te zetten op het gebied van de beëindiging van deze rechtszaak. Het onverstandige staatsbezoek in 1995 aan het Indonesië van Suharto was aanleiding voor een tweetal pamfletten: Bon Voyage, Majesteit! en Welkom thuis, Majesteit!. Veelzeggend was de reactie van premier Kok die Bon Voyage tijdens een persconferentie de zaal in smeet toen hem dat door een journalist was aangeboden.
Andere werken van zijn hand uit die periode waren Liegen tegen Beatrix (1996) en Mijn vriendin Beatrix (1999).

De persoonlijkheidsvorming van de mens was een van zijn motieven om zijn dagboekproject vol te blijven houden. Dat de werking van het brein een belangrijk studieobject van Oltmans zou worden moge duidelijk zijn. Behalve in zijn Memoires schreef hij er ook twee boeken over. In 1981 Over intelligentie en in 1990 Oltmans in discussie met Jan Foudraine.

Tijdens zijn reizen in de jaren ’80 naar Zuid-Afrika, de Sovjet-Unie en Suriname probeerde hij zowel voor het zakenleven als voor humanitaire initiatieven contacten te leggen. Zo was hij betrokken bij de Alerdinck Foundation, die zich inzetten voor ontspanning tussen Oost en West. Toch was zijn relatie met zakenmensen vaak zeer frustrerend en lieten ze zich uiteindelijk kennen als zakkenvullers of bedriegers. Hij deed een boekje open over dergelijke lieden in 1985 in de publicatie Zaken doen.

In 1983 reisde Oltmans voor het eerst naar Suriname. Met Desi Bouterse zou een lange reeks gesprekken volgen, resulterend in het boek Willem Oltmans in gesprek met Desi Bouterse (1984). Voor Suriname zou hij zich tot 1989 blijven inzetten. Zo trachtte hij te bemiddelen tussen de Surinaamse regering en de rebellenleider Brunswijk en bemiddelde hij tussen de Surinaamse overheid en de KLM over het herstellen van de landingsrechten in Paramaribo voor deze Nederlandse vliegmaatschappij.

In 1986 zou hij voor het eerst naar Zuid-Afrika reizen om zijn vriend Peter te bezoeken die inmiddels daar woonachtig was. Na een intensieve bestudering van het land en het apartheidsprobleem en na ook daar een zeer divers netwerk te hebben opgebouwd besloot hij zich op 30 april 1990 in Zuid-Afrika te vestigen. Hij had inmiddels twee publicaties in Zuid-Afrika op zijn naam staan (Apartheid USA, 1988 en Listening to the silent Majority, 1990). Hij verhuisde met heel zijn hebben en houden naar Hillbrow en wilde zijn oude dag gaan doorbrengen in het nieuwe Zuid-Afrika, dat er onherroepelijk aankwam.

Het mocht niet zo zijn: Buitenlandse Zaken en de inlichtingdiensten hadden een snood plan ontwikkeld om Willem Oltmans in één klap te kunnen ruïneren. Ze oefenden pressie uit op de Zuid-Afrikaanse regering en deze zorgde ervoor dat de zorgvuldig opgebouwde contacten in dat land in een snel tempo werden afgebroken. Uiteindelijk werd Oltmans op 2 augustus 1992 gearresteerd en als een dief in de nacht op het vliegtuig naar Amsterdam gezet. Oltmans was zo goed als alles kwijt en stond letterlijk op straat.
Hij besloot terug te vechten en daar had men niet meer op gerekend. Hij startte een proces tegen de Staat der Nederlanden en eiste volledige financiële compensatie voor minstens 35 jaar overheidssabotage en treiteren.

In 1991 had Willem Oltmans eindelijk concrete bewijzen in handen gekregen die aantoonden dat alles wat hij altijd had beweerd over de overheidssabotage tegenover hem waar was: honderden geheime documenten en codetelegrammen kreeg hij – uitgezeefd en wel – in handen via de Wet Openbaarheid van Bestuur, maar belastend en schokkend genoeg. Een deel van de documenten publiceerde hij in 1992 in het boek Vogelvrij.
De Staat was ervan uitgegaan dat deze stukken waren verjaard en in het proces niet meer zouden kunnen worden gebruikt. In 1993 zou de rechter echter anders beslissen, omdat geheime overheidsdocumenten waarin sabotage en bedrog tegenover een burger wordt gepleegd niet kunnen verjaren.
Het proces kwam nu pas echt op gang. Vele getuigen zouden worden verhoord, ook prinses Margriet zou worden gedagvaard. Prins Bernhard en zelfs de koningin stonden op de nominatie om als getuigen gehoord te worden. De druk nam duidelijk toe. Naast allerlei schimmige manipulaties kwamen er van lieverlede schikkingsvoorstellen op gang. In 1994 deed premier Lubbers hem een aanbod van honderdduizend gulden, in 1998 was het schikkingsvoorstel door minister Van Mierlo al met een miljoen verhoogd. Uiteindelijk stelde minister Van Aartsen in 1999 voor de zaak op te lossen door middel van onafhankelijke arbitrage. De arbiters oordeelden dat Oltmans gelijk had en bepaalden dat de Staat 8 miljoen gulden netto schadevergoeding moest betalen.
Boeken uit deze periode zijn Persona non grata (1994), en De staat van bedrog (1997); spraakmakend was ook het pamflet Haagse bedriegers (1998).

Eindelijk kon Oltmans zijn Memoires afmaken en uitgave ervan veilig stellen. Ook kon hij nu een vleugel kopen en zich weer op de pianostudie werpen. Maar de ontwikkelingen in de wereldpolitiek zouden hem niet loslaten. Hij bleef zich zorgen maken om de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten en schreef er een pamflet over: Who are the number 1 war criminals? Het beschreef en somde de oorlogsmisdaden op van de Verenigde staten na 1945. Op de dag van de geplande uitgave boorden zich twee vliegtuigen in de Twin Towers in New York.
De uitgave van een reeks pamfletten zou de gebeurtenissen in de wereld volgen.
In die tijd ontdekte Willem Oltmans het medium Internet en verkreeg hij een eigen website waarop hij soms dagelijks de ontwikkelingen in de wereld en Nederland besprak. Hij kon nu eindelijk vrij en rechtstreeks publiceren, wat hij tot het einde toe heeft gedaan.

Boek(en)