Door drs. Michèl de Jong

‘Willem Oltmans was bovenal een provocateur’; met die stelling begint voormalig Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes zijn inleiding bij deze 57e aflevering van de memoires van de in 2004 overleden journalist. Daaraan is geen woord te veel gezegd: op het moment dat hij middenin zijn roemruchte proces tegen de staat verwikkeld was sloot Oltmans in het voorjaar van 1993 openlijk vriendschap met één van de meest omstreden vrouwen van Nederland, de ‘zwarte weduwe’ Florentine Rost van Tonningen-Heubel.

Aangezien Oltmans ook bevriend was met al dan niet voormalige leden van de Centrumpartij, zoals Alfred Vierling en Henry Brookman, laadde hij de verdenking op zich zelf ook het toen algemeen verfoeide extreemrechtse gedachtegoed aan te hangen. (De precieze contacten tussen de CP/CD en Rost van Tonningen zijn – mede door de zwijgzaamheid op dit punt van de betrokken personen – nooit helemaal opgehelderd (zie bijvoorbeeld het boek ‘De verschrikkelijke Janmaat’ van Joost Niemöller (Van Praag, Amsterdam 2015)), zodat de memoires hier een uitgelezen kans bieden voor politiek-historici).

Ook anderszins sloeg Oltmans weer danig om zich heen, waarbij de klappen niet alleen bij zijn tegenstrevers vielen, maar ook bij zijn medestanders. Zo ontsloeg hij in een woeste bui zijn bedaarde advocaat, om hem korte tijd later – onder nieuwe wederzijdse voorwaarden – weer aan te nemen.

Interessant is ook de beschrijving van zijn eerste ontmoeting met Theo van Gogh, die Oltmans in de komende jaren nog dikwijls zou interviewen. Gezien het feit dat Oltmans tussen 1992 en 2000 al een hele sliert boeken publiceerde waarin hij verslag deed van zijn slepende juridische gevecht tegen de Staat, vallen de memoires uit deze periode soms wat in herhaling. Bijna de helft van dit kloeke deel (432 pagina’s) wordt overigens in beslag genomen door de 102 bijlagen, bestaande uit krantenknipsels, brieven en gerechtelijke stukken.

Boek(en)