Selecteer een pagina

De laatste sonnetten van Luis de Góngora

In April 1617 arriveerde Luis de Góngora in Madrid om een mecenas te zoeken. De hofstad was de plek waar alle dichters een bestaan zochten; maar doorgaans niet als ze al zesenvijftig en de grootste dichter van Spanje waren.

De trotse Andalusiër Góngora leefde van een prebende van de kathedraal van Córdoba, waarvoor hij werk verrichtte dat hem niet interesseerde, zat steeds dieper in de schulden en hoopte dat zijn aanstelling als hofkapelaan in Madrid als springplank kon dienen voor wat hij altijd de moeilijkste kant van het dichterschap had gevonden: hielenlikken en stroopsmeren. Na een eerdere mislukte poging, veertien jaar eerder, had hij al geschreven: Vervloekt zij hij die heerschappen verafgoodt en platzak uit Madrid naar huis terugkeert, en voor de reis een woekerlening afsloot! Maar het kon niet langer worden uitgesteld: het was zelfvernedering of financiële ondergang. De machtigste man van Spanje was de Hertog van Lerma, dus Góngora begon aan de compositie van een lofzang in octaven op deze corrupte gunsteling van Filips III. Helaas, Lerma viel in ongenade en het dichtwerk bleef onvoltooid. Hij had nog een drietal ijzers in het vuur, drie vooraanstaande edellieden die hem gunstig gezind waren en in de directe nabijheid van de koning verkeerden.

– … –

[LEES HET HELE ARTIKEL Poëziekrant]

– … –

Het blijkt vruchteloos. Kort daarop verlaat hij de hofstad, zesenzestig inmiddels, en sjokt terug naar Córdoba, waar hij sterft op 23 mei 1627, zonder ruchtbaarheid, zonder mecenas, zonder pensioen, maar met onbetaalde schulden en een oeuvre dat vier eeuwen later nog steeds het vertalen waard is.1)

1) Vertalingen van andere gedichten van Góngora zijn opgenomen in de tweetalige bloemlezing
 Polyphemus en Galatea en andere gedichten uit de Spaanse Gouden Eeuw (Erik Willem Coenen)
Secret Link