Selecteer een pagina

door Johan Sonnenschein
in De Reactor
Vlaams-Nederlands tijdschrift voor literatuurkritiek

Een bijna geheime gebeurtenis in de Nederlandse poëzie van het afgelopen decennium was de verschijning van Weegschaal de aarde, het zesdelig verzameld werk van Sonja Prins (1912-2009). Nadat haar proza was gebundeld in haar sterfjaar, publiceerde uitgeverij Papieren Tijger om het jaar een deel poëzie. Na vier boeken van circa 500 pagina’s verscheen in 2019 de dubbeldikke finale, die haar levenswerk afrondt op 3000+ pagina’s goeddeels onbekend werk: een regelrechte aanwinst.

Moet ik mijn zoekmachines geloven, dan heeft dit alles tot nog toe nul (0) reacties ontlokt. Ga ik bij mezelf te rade hoe dit kan, dan herinner ik me schroom om aan de complete Prins te beginnen. Hoewel ik wist dat er bij haar wat te halen viel, weerhield iets me ervan om contact te maken met dit werk. Lang lag Prins’ zesling in een doos naast mijn bureau, onder een groeiende laag leesscrupules. Pas toen Covidius eind maart jl. het tempo onderbrak, haalde ik adem en sloeg aan het lezen. In no time verdween mijn tegenzin en even later was ik om. Binnen tweeënhalve maand las ik haar 2500 gedichten met almaar stijgend respect. Nu ik erdoorheen ben, mis ik mijn Daily Prins en zit er niets anders op dan haar aan te raden aan wie maar wil.

Lees dus Sonja Prins, al wie Nederlands leest! Je wordt er sterker, socialer, intelligenter, strijdbaarder, feminiener, linkser, sensitiever, scherper en ecologischer van.

Tritsen

Een goede introductie tot het werk van Sonja Prins biedt haar leven. Als opmaat tot het Verzameld werk publiceerde Lidy Nicolasen in 2009 met De eeuw van Sonja Prins een aangename biografie, die erin slaagt dit spectaculaire leven in minder dan 300 pagina’s te vatten. Nicolasen bereikt dezelfde heldere vaart die het werk van Prins kenmerkt: gericht op de grote lijnen, maar zonder gebrek aan sprekende details.

Prins’ leven was uitzonderlijk. Op de trits uit Nicolasens ondertitel – Burgerkind, revolutionair, kluizenaar – valt met menige trits te variëren: Dochter, moeder, familieloze, of: Buitenbeentje, netwerker, einzelgänger, of: Avant-gardist, activist, solist, of: Front, De Nieuwe Stem, SoMA, of: Globetrotter, kampgevangene, bosbewoner, of: Tijdschriftmaker, redacteur, uitgever, of: Communist, antifascist, ecofeminist, of: Proeve in strategie, Nieuwe proeve in strategie, Vrijheid om te zijn – of gewoon: dichter, dichter, dichter.

De twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie bulkt niet van levens als dat van Prins, zeker niet onder vrouwelijke dichters. De grote parallel die zich opdringt is die met Henriette Roland Holst-van der Schalk – burgerkind, revolutionair, kluizenaar op de hei. Wordt Holsts poëzie al decennia overschaduwd door een succesvolle biografie (waarom bezit Nederland geen Verzameld werk van Henriette Roland Holst?), voor Sonja Prins hoop ik op de omgekeerde weg: dat Nicolasens bescheiden biografie de aandacht dirigeert naar het dichtwerk van deze andere twintigste-eeuwse linkse poëziereuzin.

Communisme & communicatie

Hoewel een boeiend leven geen garantie is voor goede poëzie, overtrof de lectuur van Prins’ verzameld werk mijn verwachtingen. We hebben hier te maken met een onerkende grootheid, kaliber Roland Holst, maar moderner, eigentijdser, twintigste-eeuwser. Haast nonchalant – ‘wat ik schreef ging vanzelf’, noteert ze ergens – schreef Prins een groot aantal ogenschijnlijk vlugge gedichten, die samen een waar oeuvre vormen. Stug doorschrijvend – van succes liet ze niets afhangen – kwam ze om de zoveel jaar tot onverwachte hoogtepunten, vaak in seriële vorm.

Bijzonder aan Sonja Prins is dat ze haar activistische poëtica levenslang trouw bleef. Nog in 1982 typeert ze haar wezen als: ‘verandering verandering verandering’. Daadwerkelijk heeft ze haar poëzie levenslang laten meemuteren. Afgesteld op de eigen tijd, zorgde ze dat haar dichterschap bij bleef, altijd zoekend naar wat nieuw is in de maatschappij, dat wil zeggen wat bleef aanzetten tot verandering. In een van haar laatste gedichten, uit 1987, schrijft ze: ‘wij ademen in en uit // en verandering is ons doel / en noodzakelijk / streven’.

Wat Prins voor je doet winnen – althans mij – is haar heldere stem, die ze altijd al bezat maar waarop ze pas laat leerde vertrouwen. Na een reeks ‘proeven in strategie’ in de vroege jaren dertig en midden jarig vijftig, waarin ze nog verschillende registers hanteert, van doelbewuste agitprop tot barok surrealisme, vindt ze in de loop van de jaren zestig haar puntgave intelligente linkse vrouwenstem: onopgesmukt maar vrij van clichés. Deze stem past haar perfect, want poëzie is voor Prins allereerst verstandhouding: ‘schrijven is communiceren / anders niets’.

Meer dan naar bewondering, reikt haar verlangen naar eenheid, gemeenschap, saamhorigheid. Solidariteit is de basisemotie van haar werk. Als individuele stem zoekt ze deelname aan geweldloze eenheid met kosmos, mens, dier en chemie: ‘echte fantasieën / heb je samen met anderen’. En nog: ‘de kudde – de massa – de gemeenschap – / de grote trouvaille! / die ons in staat stelde / ons aan te passen’.

Prins schreef vele prachtige gedichten over de samenhang van elk individu met wat leeft – en zelfs met wat niet leeft. Een treffend voorbeeld is deze uit 1979:

 

RELATIES

relatie is zoiets dringends en indringends
dat het niet wachten kan
dat je eigenlijk pas in de film
tegenkomt en ontmoet en beoordeelt –
de hand uitgestoken, de blik
naar buiten naar jou

relatie die ziet kijkt naar jou
en je wordt buiten en binnen
je wordt pas daardoor
met diepte gezegend

relatie met planten en dieren
en zelfs met volgroeide kristallen –
het geeft diepte het geeft inhoud –
relatie is als een boeket
van de geliefde aan zijn beminde

noem het god
noem het voor mijn part
wereld

Het denkwerk dat hier wordt verricht is imposant, omdat we in staat worden gesteld uit onszelf te treden, ons in te leven – niet in de ander, maar in de relatie mét de ander, op een abstracte manier die toch emotioneert. De frase ‘met diepte gezegend’ is een wonder van emotionele intelligentie, omdat ze de ‘winst’ van de overgave aan een relatie niet legt in wat de ander kan betekenen voor jou of andersom, maar in de verbondenheid, het gezamenlijke, de wederkerigheid zelf.

Links dichten

Het relationele is voor Sonja Prins van meet af aan primair, maar het mooie is dat dit basale sociale gegeven met haar leven meegroeit. Aanvankelijk kleurt ze het communistisch in, met de partij als gemeenschap en de medemens als partijgenoot. Maar wanneer het partijpolitieke haar afstoot, komt ze in haar poëzie de ontgoocheling onder ogen door het communisme te zien als de politieke vorm die haar verlangen naar geweldloze saamhorigheid heeft aangenomen. Als die vorm stolt in wetten of gewelddaden, haakt ze af – met pijn maar overtuigd, omdat het haar au fond niet gaat om partij- maar om gemeenschapsvorming. Ook het communisme kan conservatief worden, stelt ze tijdens een van haar reizen door Oost-Europa in 1965: ‘hier zijn de communisten / duidelijk rechts geworden / maar waar zijn de linksen?’

Links – zo blijft ze noemen wat zacht is: ‘ondanks alles blijft de keuze open / tussen links: de inspanning / de zorgen en de wedstrijd / rechts: gemak en ijdelheid’. En nog in 1983: ‘er is geen linkse terreur / zij die het doen kunnen onmogelijk / in socialisme geloven’. Links is haar geloof, haar strohalm, haar axioma – haar koosnaam voor de zachte krachten die het zeker zullen winnen in ’t eind. Rechts, dat is kiezen voor het cynisme, het fatalisme, het beëindigen van elke verbinding:

 

NIET MEER VOELEN

rechts-zijn
betekent over ’t algemeen
onaangename dingen wegschuiven
alsof je een duur gordijn
dichttrekt op zachte rollers
tegen de nacht

je weert iets af
je bent niet wreed en hoeft niet
(overigens)
egoïst te zijn
alleen verveeld en moe
of oud

rechts-zijn is ’t eind
een lange eindfase misschien
van elk individu

dat niet meer deelneemt aan de rest
van het bestaan
van het gevoel
een mens te zijn.

Toppunten

Berust Prins’ (geringe) bekendheid vooralsnog op haar werk uit de jaren 1930-1960, uit het Verzameld werk blijkt dat ze in de jaren 1970-1985 op haar top is. Tegen die tijd vult Prins het linkse, het zachte opnieuw in – nu als uitgesproken vrouwelijk. Overtuigd feministisch, zij het strikt on-sektarisch, keert ze zich tegen het patriarchaat en de gewelddadige wereld die door mannen is gemaakt. De gesneefde utopie van het vroege socialisme, de klassenstrijd die ze via Roland Holst en Gorter omhelsde, transformeert ze tot vrouwelijke revolte. Deze feministische machtsgreep – die onderdrukking moet ombuigen in gelijkwaardigheid – verbindt ze aan andere vormen van strijd: antikoloniaal, antiracistisch en antifascistisch. Rond 1980 komt daar de strijd bij tegen de vernietiging van de planeet, die ze ‘eco-fascisme’ noemt. Haar strijd tegen wit masculien geweld op verschillende fronten leidt tot een activistische denkpoëzie die we nu intersectioneel noemen. Een voorbeeld uit 1980:

GROENE REVOLUTIE

ook de nieuwe definitie van het woord actie:
“ze stoppen nergens voor
ze rijden (of lopen) gewoon door”
is een overwinning voor vrouwen

hun onverzettelijkheid
wordt erkend

je kunt zelfs zeggen dat het een vrouwelijke kant
van veel mannen is
die voor het eerst op massaal gebied
groeikans krijgt

terwijl aan de andere kant
het mannelijke element
aan het afbrokkelen is
(bijvoorbeeld hun opgeblazenheid
hun imponeergedrag en al die schijn-
gevechten
en schijnmoed)

beiden zouden zich kunnen ineenstrengelen
in een utopische wereld
die ver weg en misschien
onbereikbaar is

toch is het oprukken
van geweldloze vegetariërs
en milieubeschermers
positief
en de groene revolutie
een eerste wankele stap
in die richting

Geen diepzinnig gedicht dit keer, wel een hart onder de riem van allerhande activisten (ook nu). Hartverwarmend aan Sonja Prins is dat ze het utopisch socialisme, de revolutie zoals Gorter die bezong, niet opgeeft maar doordenkt tot een nieuwe, meer inclusieve, bredere strijd voor geweldloze bewoning van planeet aarde. Daarbij gaat het altijd om coalities tegen de numerieke minderheid: ‘alleen van de door-en-door mannen / de man-trotse-mannen // dreigen gevaren’. Zeitgemäβ noemt ze kapitalisten ‘fascisten’, met als hoogtepunt de reeks ‘Denken over fascisme’ uit 1981. Tegen de nooit verslagen vijand opponeert ze met permanente aandacht voor ‘het nieuwe’: dat wat steeds weer ontluikt, wil leven en vrij bewegen – een worden dat dwars door elke orde heen het conservatieve in de mens losweekt en omzet in creatie:

HET NIEUWE ZIEN

het alleen maar herkenbaar maken
van problemen
moet je geen nieuwe ideologie noemen
want het zit ’m niet in de wijze van denken
maar zien
vanuit een nieuwe positie
niet meer als middelpunt
of ondergeschikte

het nieuwe zit in de redelijke manoeuvres
van een complete
persoonlijkheid met vrouwelijke
en mannelijke
trekken die dan geen trekken meer zijn –
maar ook het zien als een van de vele
verschillende volken
van China tot Rusland tot Europeaan

Deze ruimhartigheid maakt Prins lezen tot een sterkende ervaring: telkens vindt ze de kracht te zoeken naar het veranderende, het vitale. Ze doet dit terzijde van, maar midden in de wereld – als een buitenstaander binnenin. De actualiteit becommentarieert ze via televisie en krant, terwijl ze zich overdag met haar directe omgeving verbindt. Vanuit haar Brabantse hut runt ze van haar veteranenpensioen met een enkele ‘zuster’ een productieve uitgeverij. Ondertussen is ze de spil van een heel eigen ecosysteem: met cacteeën en woerden gaat ze diepe relaties aan – ook in haar poëzie. Ze noemt het nergens zo, maar eigenhandig ontwikkelt Prins een voor Nederland vroeg soort ecofeminisme.

 Verzamelaars

Een veeldelig Verzameld werk lezen is niet zelden een crime. Uitvlakking van de kunstwerken die een auteur bij leven creëerde – losgetornde gedichten in monotone nevenschikking – maakt het in de regel beter om de oorspronkelijke bundels te lezen. Prins’ oeuvre vormt hierop een uitzondering. Haar Verzameld werk wérkt, omdat de dichter het zelf bij leven als zodanig heeft samengesteld. In een ultieme montage heeft ze haar eerdere bundeling overgedaan – dit keer zonder ruimtegebrek.

Veel van Prins’ poëziepublicaties waren bloemlezingen of heuse verzamelaars. Na Gedichten 1930-1958 (Malperthuis, 1960) en Vrijheid om te zijn. Gedichten 1958-1969 (Jimmink, 1977) kwam het echter niet van een vervolg, waardoor het werk uit haar late bloei maar deels toegankelijk was. Doordat Prins Papieren Tijger vooraf betaalde om alles uit te geven na haar dood, hebben we eindelijk zicht op het hele spectrum van haar dichterschap. De grootste verrassing is haar ware explosie in de jaren 1977-1982: deel 4, 5 en 6 bevatten de meer dan duizend gedichten die ze in deze periode schreef.

Nu we alles bijeen hebben, blijken ook Prins’ mindere gedichten de moeite waard. Prins kun je ook lezen om de bandbreedte van haar inhoud. Op een ongecompliceerde manier is haar poëzie zeer waardevol voor de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Bovendien biedt deze gedichtenmassa de kans aan enkele om te schitteren. De aandacht mag soms inzakken, telkens vlamt bewondering weer op.

Finales

Bijzonder om mee te maken is Sonja Prins’ persoonlijke ontwikkeling, als ouder wordend dichterlijk lichaam. De laatste 700 pagina’s van deel 6 bevatten de poëzie die ze schreef in de jaren 1982, 1983, 1986 en 1987, plus een kwartet slotgedichten uit 2005. Welbewust eindigt Prins met een finaal ‘Afscheid’. Na vijf dikke delen vitalistische poëzie wekt haar verwelkoming van de dood ontzag: ‘al mijn ficties / waren weg / de zachte en de ronde’.

Hoe dichter bij de dood, hoe meer berusting: ‘Toch zijn mijn teksten / gladder geworden / met veel minder / oneffenheden’, schreef ze al zelfkritisch in 1979. Vaak genoeg echter schiet ze in de verzetshouding, met als laatste grote inspiratie het ‘nieuwe evangelie’ van activistisch bevrijdingstheologe Dorothee Sölle. Haar eigen aftakelende lichaam slaat Prins gade met haast ecologische interesse, als een netwerk van cellen, bloedvaten en atomen. Ook het lichaam is een gemeenschap, een knooppunt van krachten, zachte en harde, dat zich zal ontbinden om weer iets nieuws te worden:

BINDEND

je zit er niet middenin
maar wel in

hoe dan ook
dat grote gebeuren
lap je niet aan je laars
je bent er een deel van

misschien heel afzijdig
nergens extreem
warm of koud

maar een bindende kracht
waar je ook bent
zit in je botten
zit in de atomen

waaruit je werd opgebouwd –
geest en ziel
bloed en hart

Geschiedenispoëzie

Op de sprint kon Prins schitteren – iedereen kan uit dit Verzameld werk een eigen bloemlezing samenstellen – maar indrukwekkend is ze wat mij betreft in de poëzie die grijpt naar het grote geheel. Vrij zeldzaam voor een vrouwelijk dichter was Prins behept met een episch verlangen naar een omvattend beeld van haar tijd. In discussie met de historici van De Nieuwe Stem pleitte ze begin jaren zestig voor ‘geschiedenispoëzie’. Allicht varieerde ze daarmee op Ezra Pounds definitie van epiek: ‘a poem including history’. Het was immers Prins die, als 18-jarige hoofdredacteur van Front, The Cantos introduceerde in Nederland.

Een echt epos heeft Prins niet nagelaten. Wel nam ze in 1965 drie maanden vrij om er eentje te schrijven (haar werk als klerk en moeder beperkte haar dichterschap naar eigen zeggen tot ‘3 weken per jaar’). De poging mislukte, maar leverde een lange fragmentarisch tekst op over het mislukken van dat epos. Dit ‘Boek van de cineast’ (pas gebundeld in 2006) legt rekenschap af van de breed gevoelde onheelbaarheid na de Tweede Wereldoorlog. Ook Sonja Prins cannot make it cohere (Pounds conclusie van The Cantos), maar bleef er desondanks naar verlangen alle facetten van het leven te verbinden. Zo valt althans de overkoepelende titel te begrijpen die ze haar Verzameld werk meegaf: Weegschaal de aarde refereert aan haar eerste imposante geschiedenisgedicht, uit 1954. Het markeerde haar terugkeer als dichter na Ravensbrück.

Avant-gardistischer dan de Vijftigers – aan wie ze vaak wordt afgemeten – is wat Prins ontwikkelt aan nieuwe vormen ná haar episch echec rond 1965. In de jaren 1970 komt zij uit op een poëzie die je serieel moet noemen: open-ended, fragmentarisch, aleatoir. Geen totaalbeeld, wel een oneindige horizon. Stapelingen korte flitsen die over alles mogen gaan – Prins’ droge titels notities (1973) en dagboekgedigten (1974) verhullen de geavanceerdheid die ze in de jaren zeventig bereikt. Het seriële culmineert in haar vierluik Brieven aan mijn zuster (1979), verschenen bij haar eigen uitgeverij SoMA. Met de productiemiddelen in eigen hand, fundeert ze haar feminisme materieel.

Boshut

De ware climax van Weegschaal de aarde is evenwel de omvangrijke serie waarmee het slotdeel opent: ‘Rondom de Boshut’. Al in 1979 en 1981 verschenen twee SoMA-deeltjes onder die titel, verlucht met foto’s van de eenden en poezen uit haar habitat. Het had iets knulligs, maar Prins heeft het nieuwe van haar project ingezien en is er nadien aan blijven doorwerken. In haar Verzameld werk is de reeks uitgegroeid tot een onvergelijkelijk ecofeministisch micro-epos. Gestructureerd naar de seizoenen beschrijft ze in 343 notitie-achtige dagboekgedichten haar organische Umwelt als een samenleving van plant, dier en (1) mens. Zichzelf noemt ze de ‘Grote Verzorgster’: ‘mijn imago is er een van voedselverstrekker’. Opnieuw denkt ze intrinsiek relationeel: in plaats van haar (politieke) ideeën te projecteren op de niet-menselijke wereld – de antropomorphic fallacy – observeert ze ‘haar’ dieren grondig, om daaruit nieuwe kennis op te bouwen over zichzelf, de menselijke soort en haar relaties.

Ook in de dieren- en plantenwereld analyseert Prins de macht – die conditie behoedt al haar poëzie, hoe dagelijks ook, voor Nederlandse gezapigheid. Ze ziet de wereld als strijd, met als vijand onderdrukking. Door de machtsverhoudingen scherp te analyseren ontdekt ze verschil, beweging, uniciteit, leven – en dat wat ongelijkheid voortbrengt en in stand houdt. Tegen haar zin moet ze erkennen dat het dierenrijk evenmin uitblinkt in ‘solidariteit / met minderheden’. Onpartijdig wordt ze ook nu niet, zelfs niet ten aanzien van de seizoenen. Vanzelfsprekend kiest Prins partij voor de lente:

GROEI

mijn vreugdevolle tuin
barstensvol bloemknoppen
brengt elk jaar opnieuw
miraculeus
besef
van wat er omgaat in de ziel
die stil gedijt –
weerspiegeling
van knop en vrucht
en bloeiend blad
maar ook van kille natte herfst
en wintertijd

wat eens begint – verwondering
groeit door tot aan het eind
ook in en naast je in de grond
niets staat er stil – er is geen tijd
zo permanent
als groei
voltooiing en het nieuw begin
afbreken tot er niets meer staat –
wel schoon
want dan een schone open plek

gemaakt voor groei
het altijd nieuw begin

 Sociaal lezen

Het mag duidelijk zijn dat ik vind dat Sonja Prins (her)ontdekking verdient. Een miskend eco-fem-soc-dichter wier verzameld werk op een postuum presenteerblad is gelegd door een sympathieke uitgeverij – het kan dus toch in Nederland!

Nu nog een leesgemeenschap.

Dat de zo solitair geëindigde Prins iemand is om je postuum rond te verzamelen, bleek voor mij als lezer op een onverwachte manier. Om de zoveel pagina’s moest ik bij een specifieke regel, strofe of gedicht aan iemand denken die ik ken – steeds weer anderen. Die ervaring heb ik eerder enkel zo sterk gehad met het proza van Virginia Woolf: haarscherp waarnemen wat er op de pagina staat en tegelijkertijd helder denken aan mijn eigen leven en omgeving. Tegelijk zintuigelijk waarnemen én je bewust zijn van je plek in de wereld – die combinatie maakte mijn lectuur van Prins’ poëzie principieel relationeel. Zegende haar met diepte.

Op een uitzonderlijke manier is dit voor mij dus sociale poëzie. Het verlangen naar gemeenschap dat er zo cruciaal is, zette me aan tot het delen van deze poëzie. Tegen mijn gewoonte stuurde ik vele gedichten ongevraagd rond naar wie in me was opgekomen. Omdat Sonja Prins zonder uitzondering goed viel, durf ik te hopen dat dit verzameld werk z’n vruchten af zal werpen – als een groep fruitbomen in vrije grond.

Envoi

Om het af te leren citeer ik het gedicht waarmee het voor mij in maart begon. Het stamt uit de afdeling ‘Gesprekken met Gorter’ – de afdeling ook van ‘Weegschaal de aarde’ – die in 1953-1954 haar heropleving als dichter na de Holocaust markeert. Historisch bepaald, dus anders, maar congeniaal, ging het Gorter en Prins uiteindelijk om hetzelfde: om beginnen, om het nieuwe – en daarvan zijn zij de dichters:

LEERJONGEN

ik eis mijn rechtmatige plaats op
in de Nederlandse letterkunde
want ik vertegenwoordig
meer dan je denkt
en als het niet goed is
wat ik zeg
wil ik het weten
want ik moet nog veel leren

alles is nieuw
behalve
mijn eigen kracht
die groeit langzaam
maar ik zeg je
ik wil alles weten

jullie met de boeken in je hand
in de universiteiten
leer mij de wetten van het water en de lucht
de bouw van machines
en wat mooi is en niet mooi
tenminste wat jullie mooi vinden
dan zal ik op mijn beurt
laten zien wat ik kan
en je zult verbaasd zijn

je zult verbaasd zijn vrienden
ik heb het veel beter geleerd
in mijn leerjongentijd
de organisatie van het leven

Recensie: Weegschaal de aarde van Sonja Prins